Fotografie - basisbegrippen en basisprincipes

Begrip

Voeg je header hier toe

Sluitertijd
S = shutter time

Is de tijd dat de sluiter licht doorlaat voor een foto (bijv. 1/60 sec).
Standaard waarden zijn: 1/30 – 1/60 – 1/125 – 1/250 – 1/500 – 1/1000
Elke stap naar rechts betekent de helft aan licht (kortere belichting).
Bewegingsonscherpte is onscherpte als camera of onderwerp beweegt.
* korte of ‘snelle’ S (rechts) voor minder bewegingsonscherpte, bijv. voor sportfoto’s;
* lange of ‘trage’ S (links) als er weinig licht is (statief / stilstaande onderwerpen);
* bij tele is kortere S nodig voor scherpe foto’s uit de hand.
Optie: beweeg mee met een snel bewegend onderwerp en trage S voor een scherp onderwerp tegen een vage achtergrond.

Diafragma of
F-stop
A = aperture

Is de lensopening die bepaalt hoeveel licht er door de lens wordt doorgelaten.Standaard waarden: F/2,8 – 4 – 5,6 – 8 – 11 – 16 (binnen de grenzen van de lens)
De waarde (F-stop) is gelijk aan brandpuntsafstand / diafragma-diameter.Elke stap naar rechts betekent de helft aan licht (kleiner diafragma)
Een laag getal is een grote lensopening, een hoog getal een kleine lensopening!
Scherptediepte is het verschil in afstand waarbinnen de foto scherp oogt.
* groter diafragma / lage A geeft minder scherptediepte: bijv. voor een scherp onderwerp tegen een onscherpe achtergrond; meer last van lensfouten;
* kleiner diafragma / hoge A geeft meer scherptediepte voor scherpe voor- èn achtergrond; scherpteverlies door lichtverstrooiing door kleine opening;
* 1 a 2 stops vanaf de grootste opening geeft i.h.a. optimale scherpte.
NB. scherptediepte is ook afhankelijk van brandpunts- en onderwerpsafstand.

ISO waarde
(ASA)

De brandpuntsafstand is een kenmerk van de lens. Voor een simpele lens is dat de afstand van de lens tot het scherpe beeld van een ver verwijderd onderwerp.
Een Zoom-lens heeft een variabele brandpuntsafstand. De verhouding tussen langste en kortste brandpuntsafstand is de zoom-factor.
* korte brandpuntsafstand = groothoeklens: veel tegelijk in beeld, overdreven perspectief, veel scherptediepte, weinig last van bewegingsonscherpte;
* lange brandpuntsafstand = telelens: haalt onderwerp dichterbij, vlak perspectief, weinig scherptediepte, snelle S nodig ivm bewegingsonscherpte; lastig want het grootste diafragma is vaak kleiner (hoge F-stop, minder licht).

Brandpuntsafstand

Is de lichtgevoeligheid van de sensor (of vroeger: van de gebruikte film)
Standaard waarden zijn 100 – 200 – 400 – 800 – 1600 ASA
Elke stap naar rechts verdubbelt de gevoeligheid (dus de helft aan licht nodig).
* hoge ISO is nodig voor foto’s bij weinig licht, maar geeft meer ‘beeldruis’;
* lage ISO geeft beste beeldkwaliteit bij voldoende licht.
S, A en ISO bepalen dus samen de belichting. Veel camera’s kunnen dat volautomatisch. De fotograaf kan belichtingscorrectie toepassen op de uitkomst.

Crop-factor

Geeft de verhouding van de sensor (diagonaal) t.o.v. full-frame of kleinbeeld-formaat 24x36mm. Een crop-factor van 2 betekent een sensor die half zo groot is als een kleinbeeld-negatief. En dat heeft ook effect op de beeldhoek.
Voor full-frame is 50mm een ‘standaard’ lens, ≤ 35 mm groothoek, 80mm portret en ≥135mm tele. Maar op een camera met crop-factor 2 geeft een 25mm lens een ‘standaard’ blikveld.

Scherpstellen

Scherpstellen op het onderwerp kan automatisch (AutoFocus) of handmatig.AutoFocus is heel handig bij actiefoto’s. Handmatig kan nauwkeuriger zijn, maar vraagt meer tijd. Voor onderwerpen ver weg wordt afstand ∞ (oneindig) gebruikt.
Voor onderwerpen dichterbij verschuift de lens verder van de sensor af.
Macro-foto’s zijn foto’s met heel kleine onderwerpsafstand (tot minder dan een cm).
Een grote vergroting (macro en/of sterk tele) leidt tot kleine scherptediepte en meer kans op bewegingsonscherpte (een statief is dan onmisbaar).

Lensfouten

Lenzen worden steeds beter, maar iedere lens heeft te maken met lensfouten.
* randonscherpte: foto’s zijn in het midden scherper dan aan de randen;
* vignettering: foto in de hoeken donkerder dan in het midden;
* chromatische aberraties: ‘kleurschifting’ bij contrastrijke motieven.
Bovenstaande fouten kunnen verminderd worden door een kleiner diafragma.
* beeldvertekening: rechte lijnen worden niet recht weergegeven.
Lenzen voor een kleinere sensor, lenzen met vast brandpunt en duurdere lenzen hebben minder snel last van lensfouten. Tegenwoordig kan software veel lensfouten ook achteraf corrigeren of verminderen (via lensprofielen).

1 reactie op “Basisbegrippen”

Laat een reactie achter